Vragen over de Drie-eenheid

180 vragen over de drie-eenheid De vader is God en de zoon is God en de Heilige Geest is God, maar er is maar één God. Wacht even, zeggen sommige mensen. «Een plus een plus een is een? Dat kan niet waar zijn. Het werkt gewoon niet. »

Juist, het werkt niet - en dat zou ook niet moeten. God is geen "ding" om op te tellen. Er kan er maar één zijn die almachtig, wijs en alomtegenwoordig is - daarom kan er maar één God zijn. In de wereld van de Geest zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd op een manier die materiële objecten niet kunnen zijn. Onze wiskunde is gebaseerd op materiële dingen; het werkt niet altijd in de grenzeloze, spirituele dimensie.

De Vader is God en de Zoon is God, maar er is maar één Godwezen. Dit is geen familie of comité van goddelijke wezens - een groep kan niet zeggen: "Er is niemand zoals ik" (Jesaja 4 .)3,10; 44,6; 45,5). God is slechts een goddelijk wezen - meer dan een persoon, maar alleen een God. Vroege christenen haalden dit idee niet uit het heidendom of de filosofie - ze werden er min of meer toe gedwongen door de Schrift.

Net zoals de Schrift leert dat Christus goddelijk is, leert ze ook dat de Heilige Geest goddelijk en persoonlijk is. Wat de Heilige Geest ook doet, God doet het. De Heilige Geest is God, zoals de Zoon en de Vader - drie personen die perfect verenigd zijn in één God: de Drie-eenheid.

De kwestie van Christus 'gebeden

De vraag wordt vaak gesteld: Aangezien God één is, waarom moest Jezus dan tot de Vader bidden? Achter deze vraag ligt de veronderstelling dat de eenheid van God Jezus (die God was) niet toestond om tot de Vader te bidden. God is een. Dus tot wie bad Jezus? Dit beeld negeert vier belangrijke punten die we moeten verduidelijken als we een bevredigend antwoord op de vraag willen krijgen. Het eerste punt is dat de uitspraak "het Woord was God" niet bevestigt dat God alleen de Logos [het Woord] was. Het woord "God" in de uitdrukking "en God was het woord" (Johannes 1,1) wordt niet als eigennaam gebruikt. De uitdrukking betekent dat de Logos goddelijk was - dat de Logos dezelfde natuur had als God - één wezen, één natuur. Het is een vergissing om aan te nemen dat de uitdrukking "de Logos was God" betekent dat de Logos alleen God was. Vanuit dit oogpunt belet deze uitdrukking Christus niet om tot de Vader te bidden. Met andere woorden, er is een Christus en er is een Vader, en er is geen onverenigbaarheid in Christus die tot de Vader bidt.

Het tweede punt dat moet worden verduidelijkt, is dat de Logos vlees werd (Johannes 1,14). Deze verklaring zegt dat de Logos van God feitelijk een mens werd - een letterlijke, beperkte mens, met al zijn kwaliteiten en beperkingen die mensen kenmerken. Hij had alle behoeften die bij de menselijke natuur horen. Hij had voeding nodig om in leven te blijven, hij had geestelijke en emotionele behoeften, waaronder de noodzaak om door gebed met God om te gaan. Deze behoefte zal in wat volgt nog duidelijker worden.

Het derde punt dat verduidelijking behoeft, is zijn zondeloosheid. Gebed is niet alleen voor zondaars; zelfs een zondeloze persoon kan en moet God prijzen en zijn hulp zoeken. Een menselijk, beperkt wezen moet tot God bidden, moet gemeenschap met God hebben. Jezus Christus, een mens, moest tot de onbegrensde God bidden.

Dit doet de behoefte ontstaan ​​om een ​​vierde fout op hetzelfde punt te corrigeren: de veronderstelling dat de noodzaak om te bidden een bewijs is dat een persoon die bidt niet meer is dan een mens. Deze veronderstelling is vanuit een vertekend beeld van het gebed in de hoofden van veel mensen binnengedrongen - vanuit het standpunt dat de onvolmaaktheid van de mens de enige basis voor gebed is. Deze opvatting is niet overgenomen van de Bijbel of van iets anders dat door God is geopenbaard. Adam had moeten bidden, ook al had hij niet gezondigd. Zijn zondeloosheid zou zijn gebeden niet overbodig hebben gemaakt. Christus bad, hoewel hij perfect was.

Met de bovenstaande verduidelijkingen in het achterhoofd, kan de vraag worden beantwoord. Christus was God, maar hij was niet de Vader (of de Heilige Geest); hij kon tot de vader bidden. Christus was ook mens - een beperkt, letterlijk beperkt mens; hij moest tot de vader bidden. Christus was ook de nieuwe Adam - een voorbeeld van de volmaakte mens die Adam had moeten zijn; hij was voortdurend in gemeenschap met God. Christus was meer dan een mens - en gebed verandert die status niet; hij bad als de Zoon van God mens gemaakt. Het idee dat bidden ongepast of onnodig is voor iemand die meer dan een mens is, komt niet voort uit Gods openbaring.

door Michael Morrison